Onderstaand een voorbeeld van een artikel zoals dat in ons verenigingsblad 'Het Pianolabulletin' is gepubliceerd.

De Speeldoos hoe het begon – door Niko Wiegman 

15 Februari 1796 presenteerde Antoine Favre-Salomon (1734-1820) zijn “speelwerk zonder hamers en bellen” aan de Geneefse commissie van  la Société des Arts. Er is wel geprobeerd om andere speelwerken aan te dragen die ouder zouden zijn, maar tot op heden zijn al die pogingen naar de prullenbak verwezen. Algemeen wordt dan ook geaccepteerd dat dit de geboorte datum van de speeldoos is.

Waarom was het niet mogelijk om eerder een speelwerk te maken dat gebruik maakte van gestemde repen staal, tanden zoals wij die nu noemen waarbij tanden op een rij een speeldoos kam vormen? Een cilinder, met een met pennen geprogrammeerde melodie erop, was niet nieuw en ook de aandrijving middels een oprolveer en regulering van tempo met een regulateur werd ook al gedaan. Ook zal er in die tijd heus wel eens iemand hebben zitten spelen met een liniaal of ander voorwerp en gemerkt hebben dat het een toon maakte als het in trilling gebracht werd. Het probleem moet gelegen hebben in de beperkte beschikbaarheid van het staal om er die gestemde tanden van te maken. Staal moet gehard en daarna ontlaten worden om de gewenste hardheid voor een mooie heldere toon te krijgen. Maar staal is pas hardbaar wanneer het een bepaald percentage koolstof bevat en omdat te kunnen maken moet het ijzer op een heel hoge temperatuur gebracht worden. Het was wel mogelijk om in kleine hoeveelheden de juiste kwaliteit staal te maken maar paseind 18de eeuw werd het op industrieel niveau mogelijk. Waar het staal vandaan kwam wat Favre gebruikte voor zijn “speelwerk zonder hamers en  bellen” is niet bekend maar het Verenigd Koninkrijk is het meest voor de handliggend. Blaenavon (Zuid Wales) is de plek waar in 1789 één van de eerste echte hoogovens stond en staal van de juiste kwaliteit in grotere hoeveelheid gemaakt kon worden.Wanneer je die twee data naast elkaar legt is het zeer aannemelijk dat Favre terecht de vader van de speeldoos genoemd mag worden.

Dat “speelwerk zonder hamers en bellen” van Favre is er waarschijnlijk niet meer, wel beweert “The Shanghai gallery of antique music boxes” het in bezit te hebben, een gouden zegelstempel met speelwerk afkomstig uit de voormalige Guido Reuge collectie. Het is een zeer twijfelachtige claim aangezien de eerst bekende zegels met speelwerk van na 1810 zijn. Daarbij komt het ook niet overeen met de beschrijving die de commissie van het Favre werk geeft, wat een snuifdoos van normale afmetingen als behuizing zou hebben. Wat nog het dichtst bij de beschrijving van het Favre werk komt was een snuifdoos (foto1) in de verzameling van de in 2017 overleden Luuk Goldhoorn.
De opbouw van dat mechaniek (foto 2) heeft sterke overeenkomsten  met dat van een bellenspeelwerk (foto 3), het is met recht een “speelwerk  zonder hamers en bellen” te noemen. Zie ook: “The Music Box”, volume 18, nr. 5, uitgave van de “Musical Box Society of Great Britain”.

       

Foto 1 Foto 2 Foto 3
     
 
Foto 4© Foto 5©  

 

Het nieuwigheidje was nog niet de opzichzelfstaande speeldoos zoals wij die nu kennen, maar werd ingebouwd in andere hebbedingetjes. Speelwerken met hamers en bellen hadden het nadeel veel ruimte in te nemen terwijl Favre’s vinding juist veel kleiner was en zich dus uitstekend leende voor inbouw. In Geneve maakte Isaac-Daniel Piguet (1775-1841) in 1802 ringen met automaat en speelwerkje (foto 4 & 5) en zo vond het zijn plek in snuifdozen, zegels, toneelkijkers, horloges, sleutels van horloges en vele andere, vooral dure voorwerpen voor de welgestelden. 

Om het nog compacter te kunnen maken werd in plaats van een aparte cilinder de huls van de veerton gebruikt om de pennen in te zetten, een zo geheten barillet mechaniek met stapelkam (foto 6). Vooral dun is het “sur plateau” of platform speelwerk met waaierkam (foto 7) waar bij de pennen in een schijfje worden geplaatst, uitermate geschikt voor inbouw in horloges.

 

 

Foto 6                                                       Foto 7

Het aantal tonen bij deze speelwerkjes is beperkt, een stapelkam met meer dan 20 tanden is zeldzaam, waarbij de barillet werkjes van de ringen van Piguet het moesten doen met maar 5 of 6 tanden. Een platform speelwerk kan tot een 30 tanden per zijde hebben, die kunnen dan tegelijk gebruikt worden bij één melodie of, door de schijf in hoogte te verstellen, twee melodieën hebben waarbij dan alleen de tanden van één zijde gebruikt worden. Muzikaal stelt het allemaal nog niet veel voor, je mag al blij zijn als je bij 5 tanden een melodielijn kan herkennen, het belangrijkste in die experimenteer periode was dat het klein was.

Foto 1. Collectie Goldhoorn – Auction Team Breker;  Foto 2. Collectie Goldhoorn – Auction Team Breker;  Foto 3. Museum Speelklok;  Foto 4.© www.antiquorum.swiss ;  Foto 5.© www.musikautomaten.ch  Seeuwen;  Foto 6. Cortrie Spezial Auktionen.; Foto 7. Collectie Goldhoorn – Auction Team Breker.

 

Pas ergens rond 1815 werden de mechanieken  groter en werd een aparte cilinder voor de pennen weer meer toegepast, daarbij was het mogelijk deze te verschuiven zodat er meer melodieën naast elkaar geprogrammeerd konden worden. Doordat de speelwerken groter werden kwam er ruimte voor meer tonen, het staal daarvoor was ook makkelijker verkrijgbaar omdat de onrust van Napoleon in Europa voorbij was. Die grotere mechanieken kregen nu ook een eigen behuizing waarmee de speeldoos het object op zichzelf werd zoals wij dat nu kennen. Daarbij werden ze ook vaak in de klokvoet van een pendule gebouwd om elk uur aangezet te worden door het uurwerk, een zgn. snek aandrijving gaf dan het speelwerk een langere speelduur zodat te vaak moeten opwinden niet nodig was.

 

Er was nog wel een demping probleem; als snel na elkaar dezelfde tand gespeeld wordt dan is deze nog in trilling als de volgende pen al komt, vooral in de bas geeft dit een lelijk bijgeluid. Daarom is voor het snel repeteren van dezelfde toon meer tanden van gelijke toonhoogte nodig, maar die gaan dan wel mee resoneren met de naast gelegen tand die gespeeld wordt en maken dan nog dat lelijke bijgeluid als er snel een pen aankomt. Omdat mee resoneren te onderdrukken worden tanden van dezelfde toonhoogte ver uitelkaar geplaatst en komen er zgn. V-kammen (foto 8) en Zigzag kammen (foto 9). Dat kon ook makkelijk omdat kammen nog werden samengesteld uit enkele tanden of sectiesvan 2 of meer die dan vastgeschroefd werden op een kamdrager.

Naast misschien de beperkte verkrijgbaarheid van staal in grotere afmetingen moet vooral het risicovolle harden en het daarna noodzakelijk bewerken van de tanden de reden zijn geweest voor het maken van kammen uit secties. Om staal te harden wordt het tot een 820 C verhit waarna het snelle afkoelen (schrikken) de hardheid veroorzaakt,  maar verschillen in werkstuk diktes maakt dat er minimale verschillen in afkoelsnelheid in het materiaal optreden met vervorming als gevolg. Ook bij het daarna stemmen en intoneren kan vervorming optreden omdat er materiaal wordt weggenomen. Door die vervorming gaat de positie nauwkeurigheid van de tandtip ten opzichte van de cilinderpennen verloren. Om weer een nauwkeurig positionering van tandtip ten opzichte van pennen te krijgen wordt de tand met hameren gecorrigeerd, een bewerking met een hoog breuk risico en omdat te beperken werden kammen in het begin uit secties samengesteld.

Aan François Nicole (1766-1849) wordt het bedenken van een effectief demping systeem toegeschreven; een gebogen metalen veertje wat met een pennetje onder de tandtip wordt geklemd. In de literatuur wordt hiervoor een datum van 1814 genoemd, iets wat wel een erg vroege datum lijkt temeer daar je metalen dempers pas in speeldozen van rond 1820 tegenkomt. In die vroege tijd is wel met andere materialen voor demping geëxperimenteerd, reepjes perkament of baarden van vogelveren dat met schellak onder de tandtip werd gekleefd. Het is een simpele maar redelijk effectieve methode en daarom nog lang toegepast en makers in Praag (Rzebitschek) en Wenen (Olbrich), hebben zelfs nooit anders voor demping gebruikt.

Men kreeg steeds meer ervaring met de fabricage van kammen en sommige, zoals Lecoultre, maakte in 1820 al kammen uit één stuk met als voordeel dat de onderlinge afstand  van de tanden nog kleiner kon worden en er meer op een gegeven lengte konden worden geplaatst.

De cilinder zelf was nog wel een lege messing huls met dunne wand, dat maakte dat de klank blikkerig was. Door de cilinder te vullen met een mengsel van schellak en puimsteen werd dat blikkerige onderdrukt, het gaf de speeldoos een vollere klank. Hierna kon het echt beginnen, cilinders kregen een grotere diameter waarmee de speelduur kon oplopen tot een 2 en zelfs wel bijna 3 minuten per omwenteling. En met maar 3 of 4 verzettingen van de cilinder nam het aantal tanden toen tot soms over de 200 en met meer dan 100 voorzien van dempers konden de mooiste melodieën gezet worden. In de begin met een soms nog wat mechanisch aandoend arrangement maar ook dat werd steeds geraffineerder. Klinkt bijvoorbeeld ouverture Gazza Ladra op een François Nicole van ca. 1825 mooi maar nog niet echt spannend in 1829 is het arrangement op een speeldoos van dezelfde maker verrassend te noemen. In die tijd was de behuizing meestal nog een verbazend simpel kistje waar in het speelwerk nauwelijks genoeg ruimte had (foto 10). Ook daar kwam verandering in want de koper wilde niet alleen een mooi klinkende speeldoos, het moest er mooi maar vooral duur uitzien met kisten voorzien van fraai fineer met kunstig inlegwerk van exotische materialen (foto 11).

Een  innovatie op klank gebied was zo rond 1840 toen de eerste forte-piano speeldozen werden gemaakt, er zijn 2 manieren omdat effect te bereiken. Het kan met een enkele kam maar met verschil in pen lengtes waardoor eenzelfde tand hard of zacht gespeeld kan worden. Het geeft een prachtig resultaat en kan zelfs met crescendo en diminuendo effecten spelen. Wel een uiterst gecompliceerde en dan ook maar kort gebruikte methode en daarom nu zeer zeldzaam. De andere methode is met 2 kammen, eentje voor de forte en een andere, meestal kortere kam, voor de piano passages. Deze piano kam klinkt zachter omdat de tanden zwakker/dunner zijn en daarbij ook nog zachter spelend kan worden afgesteld (foto 12).

Maar de behoefte aan andere klank effecten werd steeds groter en na 1850 komen er speeldozen met toevoegingen van bellen, trommel, castagnetten, orgel (foto 13). Ook de vraag naar meer melodieën ging ten koste van de muzikale kwaliteit, een 33 cm cilinder geprogrammeerd met 4 melodieën heeft ca.190 tanden terwijl een zelfde lengte cilinder met 12 melodieën het moet doen met maar ca.65 tanden. Voor sommige is dit dan ook het einde van het gouden tijdperk van de speeldoos.

Foto 8. Collectie Goldhoorn – Auction Team Breker;  Foto 9. Collectie Goldhoorn – Auction Team Breker;  Foto 10. Hannam's Auctioneers Ltd.;  Foto 11. Prive collectie;  Foto 12. Prive collectie;  Foto 13. Jeffrey S. Evans & Associates.